GOEDERTIER Valére

Juwelier – Sint-Niklaas, Statiestraat 40

De enige in leven zijnde broer van Arséne in 1934

 

Uit de notities van Henry Koehn

Bespreking met Valère Goedertier in Sint-Niklaas, Statiestraat 40, Tel. 171, 30 augustus 1942 van 15.15 tot 18.15 uur.

Valère G. ist Juwelier, 60 Jahre alt, jüngstes Kind und Letztüberlebender von 12 Geschwistern. Er ist gut aussehend, hat blaue Augen, zeigt deutliche Ähnlichkeit in den Gesichtszügen mit seinem Bruder Arsène, macht einen männlichen, selbständigdenkenden, intelligenten Eindruck. Seine Einstellung zum Diebstahl und der Mittäterschaft von seinem Bruder ist durchaus objektiv. Er hat von jeher stark gelitten unter dem Vorfall und tut dies auch heute noch. Der Fall beschäftigt ihm noch dauernd. Er wünschte nichts lieber als das der Diebstahl aufgeklärt würde, d.h., dass das Bild gefunden würde. Er stand persönlich sehr gut mit Arsène, wurde von ihm “broedertje” genannt. Er lebte mit Arsène im Elternhaus in Wetteren Zaadstraat 15 zusammen.

Valère Goedertier is juwelier, 60 jaar oud en het jongste kind in leven van twaalf zusters en broers.  Hij ziet er goed uit, heeft blauwe ogen, zijn gelaatstrekken lijken op die van zijn broer Arsène. Hij geeft een mannelijke, een voortdurend denkende, intelligente indruk. Zijn standpunt ten opzichte van de diefstal en de medeplichtigheid van zijn broer is ronduit objectief. Hij heeft sterk geleden en dat is tot op heden nog zo. De zaak houdt hem nog altijd bezig. Hij zou niets liever hebben dan dat de diefstal zou opgehelderd worden, dat het paneel dus zou worden teruggevonden. Hij had een zeer goede persoonlijke verhouding met Arsène en werd door hem “broedertje” genoemd. Hij woonde samen met Arsène in het ouderlijk huis in Wetteren, Zaadstraat 15.

Im Jahre 1913 ist er nach St. Nikolaas gezogen. Er hat mir gegenüber in jeder Weise sich offen ausgesprochen. Da er sich der grossen Hitze der letzten Tage wegen nicht wohl fühlte, lag er im Bett, sodass meine Unterredung mit ihm in seinem Schlafzimmer stattfand.

In het jaar 1913 is hij naar Sint-Niklaas verhuisd. Hij heeft met mij in elk geval een zeer open gesprek gevoerd. Vermits hij zich wegens de grote hitte van de laatste dagen niet goed voelde, lag hij in bed zodat mijn onderhoud met hem in zijn slaapkamer plaatsvond.

Die Geschwister sind teils schon in jungen Jahren gestorben und zwar sind sie an den verschiedensten Krankheiten gestorben: an Krebs, am Schlund, Typhus, Gehirnkrankheit, usw. Der Vater war stark und gesund, die Mutter schwächlich. So war Arsène in seiner Jugend auch schwach und musste die Schule vorzeitig verlassen. Durch Turnen ist er dann jedoch gekräftigt worden.
Das Bild, das mir V.G. von Arsène gab stimmt überein mit all den Aussagen, die mir Verwandte und Bekannte (De Vos usw.) bisher gegeben haben. Die Auskunft über A. und die Vorstellung von ihm, die mir V.G. gab vermittelte mir jedoch das abgerundeste Bild, das mir bisher gegeben wurde. Danach ist A.G. ein an sich guter und philantropisch gesonnener Mensch gewesen. Er lebte einfach, rauchte und trank nicht, ging auch nicht auf Reisen. Er brauchte für sich kein Geld. Er war 1934 nicht in Geldnot. Eine finanzielle Krise machte er 1928 durch infolge der Zeitumstände. V.G. ist der Ansicht, dass A. den Diebstahl nicht verübt hat. “Aus Geldgründen auf keinen Fall. Er brauchte kein Geld.”

De broers en zussen zijn voor een groot deel reeds jong overleden aan de meest verschillende ziektes. Aan kanker, aan de keel (slokdarm), tyfus, hersenziekte enz. De vader was sterk en gezond, de moeder zwak. Arsène was in zijn jeugd ook nogal zwak en moest de school voortijdig opgeven. Door het turnen is hij nadien toch nog aangesterkt.
Het beeld dat Valère Goedertier van Arsène geschetst heeft, stemt in alles overeen met wat familieleden en bekenden (De Vos enz.) reeds over hem gezegd hadden. De informatie over Arsène en de beschrijving die Valère Goedertier gaf, leveren echter het meest volledige beeld op dat ik tot op heden mocht krijgen. Volgens de beschrijving is Arsène Goedertier een goede en filantropisch ingestelde mens geweest. Hij leefde eenvoudig, rookte en dronk niet en ging niet op reis. Hij had voor zichzelf geen geld nodig. Hij zat in 1934 niet in geldnood. In 1928 maakt hij ten gevolge van de toenmalige omstandigheden een financiële crisis mee. Valère Goedertier is van oordeel dat Arsène de diefstal niet uitgevoerd heeft. “Zeker niet omwille van geldproblemen. Hij had geen geld nodig.”

Am Tage nach dem Diebstahl, am 11. April 1934, war V.G. bei Arsène im Haus. In Gegenwart von Frau G. hörte er, wie A. sagte, dass man das gestohlene Bild nicht in Deutschland suchen solle, sondern bei der Kirche St. Baafs selbst. A. sagte damals: ich werde es binnen 8 Tagen gefunden haben. V.G. bot an, dass er mitsuchen wolle, doch sagte A., dass er das nicht wolle.

De dag na de diefstal, op 11 april 1934, was Valère Goedertier bij Arsène thuis. In de aanwezigheid van mevrouw Goedertier hoorde hij hoe Arsène zegde dat men het gestolen paneel niet in Duitsland moest gaan zoeken, maar bij de Sint-Baafskathedraal zelf. Arsène zegde toen: “ik zal het binnen acht dagen vinden”. Valère Goedertier bood zijn hulp aan om mee te zoeken, maar Arsène zegde dat hij dat niet wou.

In Gent soll damals vor dem Diebstahl ein Wechselagent bankrott gemacht haben, der bei der St. Nikolaaskirche bezw. beim Kornmarkt wohnte. V.G. entsinnt sich des Namens nicht mehr. A.G. kannte ihn, tätigte aber keine Geschäfte mit ihm (wie mir Frau G. am selben Tag bei einem nachträglichen Besuch sagte, weiss sie hiervon nichts). V.G. hält es für möglich, dass der Diebstahl mit diesem Mann in Zusammenhang steht. Er hält es auch für möglich, dass ein Priester hineinverwickelt war, ohne dafür jedoch einen Namen angeben zu können. V.G. meint, dass A. den oder die Diebe ausfindig gemacht hat. Wie er das zuwege gebracht hat, kann er nicht sagen. Er sagte von A.: “Hij was een speciale mensch, hij was rap.”

In de tijd voor de diefstal zou in Gent een wisselagent bankroet gegaan zijn. Deze woonde bij de Sint-Niklaaskerk respectievelijk de Korenmarkt. Valère Goedertier herinnerde zich de naam niet meer. Arsène Goedertier kende hem, maar deed geen zaken met hem (zoals mevrouw Goedertier mij dezelfde dag tijdens een uitdrukkelijk bezoek zegde, weet zij hiervan niets). Valère Goedertier acht het mogelijk dat de diefstal met deze man verband houdt. Hij acht het ook mogelijk dat een priester hierin verwikkeld raakte, zonder echter nog een naam te kunnen opgeven. Valère Goedertier meent dat Arsène de dief of de dieven heeft opgespoord. Hoe hij dat gepresteerd had, kon hij niet zeggen. Hij zegde over Arsène: “Hij was een speciale mensch, hij was rap.”

Er hat sich immerfort mit derartigen Dingen beschäftigt, so mit der Entwendung von 3 Kirchenstücken, Bild, Tuch usw. durch Malerhandwerker in der Kirche von Wetteren, die durch ihn innerhalb von 24 Stunden zurückgebracht wurden. Der Geistliche mit dem G. das damals besprach, sagte ihm, er solIe nicht danach suchen, darauf A.G. doch und zwar sofort. Er soll sich auch mit einem Gemäldediebstahl aus der Michaelskirche befasst haben. A.G. hatte eine besondere Art für diese Dinge. “Er las nicht viel Kriminalromane, das haben nur die Zeitungen geschrieben. Er las nicht Le Masque (ich sagte V.G. das man Nummern dieser Veröffentlichung bei A. gefunden hätte). Er hat wohl gelesen “Les mémoires de Goron”. Sonst las A. gute wissenschaftliche Bücher über Fayencen udgl. Er las überhaupt nicht viel.”

Hij heeft zich altijd met dergelijke dingen bezig gehouden, zoals met de kleine diefstal van drie kerkelijke stukken, beeld, doek enz. door schilders in de kerk van Wetteren. Hij slaagde erin ze binnen 24 uren terug te bezorgen. De geestelijke waarmee Goedertier dat destijds besprak, zegde hem dat hij er niet moest naar zoeken, daarop antwoordde Arsène van wel en dat onmiddellijk. Hij zou zich ook bezig gehouden hebben met een schilderijdiefstal uit de Sint-Michielskerk (van Gent). Arsène had een bijzonder oog voor deze dingen. “Hij las niet veel misdaadromans, dat hebben slechts de kranten destijds geschreven. Hij las niet Le Masque (ik zegde aan Valère dat men nummers van deze publicatie bij Arsène gevonden had). Hij had wel “Les mémoires de Goron” gelezen. Voor de rest las Arsène goede wetenschappelijke werken over faience enz. Hij las hoe dan ook niet veel.”

V.G. sagt: “lch meine, dass das Bild nicht aus der Kirche von St. Baafs herausgekommen ist.” A. hat es dort vielleicht gefunden (vielleicht beim Chorgestühl und es dann wo anders untergebracht. “lch meine immer in meiner Vorstellung, dass es vielleicht in der Krypta ist.” “lch kenne die Krypta nicht, doch könnte ich mir denken, dass es dort vielleicht in Begräbnisplätze von Bischöfen liegt. Man müsste die steinernen Wandplatten dieser genau ansehen, ob sie Merkmale zeigen, dass dort vielleicht etwas geborgen worden ist.” lch sagte hierzu, dass A.G. sich zu diesem Zweck über Mittag vielleicht hat einschliessen lassen. V.G. meinte darauf: “Nein, das wird er nicht getan haben, dazu ist er viel zu schlau und vorsichtig gewesen. Was wäre gewesen, wenn man ihn entdeckt hätte.” V.G. meint “dass A. das Bild auf alle Fälle gut und sicher verborgen hat, dazu war er Künstler”. Es kann natürlich sein, dass trotzdem im Lauf der Jahre das Bild durch Ungeziefer oder sonstwie Schaden gelitten hat. Die Bemerkungen in den Briefen von A.G., dass das Bild Gefahr läuft zu verderben hält V.G. nur für Druckmittel.

Valère zegt: “Ik denk dat het paneel de Sint-Baafskathedraal niet verlaten heeft.” Arsène heeft het daar wellicht gevonden (waarschijnlijk bij het koorgestoelte) en het dan elders ondergebracht. “Ik stel mij in gedachten altijd voor dat het in de crypte zit.” “Ik ken de crypte niet, maar ik kon me wel inbeelden dat het daar wellicht in een of andere laatste rustplaats van een bisschop ligt. Men zou de stenen wandplaten eens goed moeten onderzoeken op merktekens om te zien of daar misschien iets verborgen zit.” Ik antwoordde daarop dat Arsène zich met dat doel waarschijnlijk tijdens de middag had laten opsluiten. Valère zegde daarop: “Neen, dat kan hij niet gedaan hebben. Daarvoor is hij veel te sluw en voorzichtig geweest. Wat zou er gebeurd zijn als men hem ontdekt had?” Valère denkt “dat Arsène het paneel in elk geval goed en veilig opgeborgen heeft, daarvoor was hij te veel kunstenaar”. Het is natuurlijk mogelijk dat desondanks in de loop van de jaren het paneel schade heeft opgelopen door ongedierte. De opmerking in de brieven van Arsène dat het paneel het gevaar loopt vernietigd te worden, interpreteert Valère als een drukkingsmiddel.

Ich habe V.G. an Hand meiner Abschriften die 13 Briefe von A.G. und dessen letztes nicht versandtes Schreiben in meiner Gegenwart lesen lassen. Als er damit fertig war, sagte er, ganz von sich aus, ohne Anfrage meinerseits: “Het is van hem geschreven. Dat is helemaal zijne manier en zijn stijl.” (Wir sprachen dauernd niederländisch.) Er sagte: “Arsène sprach gut Französisch, aber er schrieb nicht gut, er machte vie!e Fehler. lch würde besser Französisch schreiben.” (lch sagte nachträglich bei meinem Besuch Frau G., dass ich ihrem Schwager die Briefe ebenfalls hatte lesen lassen, wie auch durch sie. Sie frug darauf ob er nicht auch der Meinung sei, wie sie, dass A. sie nicht geschrieben hätte da er nicht solche orthographischen Fehler gemacht hätte. lch musste ihr das Gegenteil davon antworten.) Es ist V.G. unklar, wo A. die Briefe geschrieben hat. Er meint nicht in Wetteren, auch nicht in der dortigen Zeichenschule. Er denkt eher in Gent, aber dann müsste er ein Zimmer gemietet haben.

Ik heb Valère mijn kopies van de 13 brieven van A.G. en de laatste niet verzonden brief in mijn aanwezigheid laten lezen. Toen hij klaar was, zegde hij zonder enige vraag van mijnentwege: “Het is van hem geschreven. Dat is helemaal zijne manier en zijn stijl.” (We spraken voortdurend Nederlands.) Hij zegde: “Arsène sprak goed Frans, maar hij schreef niet goed, hij maakte veel fouten. Ik zou beter Frans schrijven.” (Ik zegde nadrukkelijk bij mijn bezoek aan mevrouw G., dat ik haar schoonbroer de brieven had laten lezen, evenals zijzelf. Zij vroeg daarop of hij niet van mening was, zoals zijzelf, dat A. ze niet had geschreven en hij niet zulke spelfouten gemaakt zou hebben. Ik moest haar het tegenovergestelde antwoorden.) Het is V.G. niet duidelijk waar A. de brieven geschreven had. Hij denkt niet in Wetteren, ook niet in de plaatselijke tekenschool. Hij denkt eerder aan Gent, maar dan moet hij wel een kamer gehuurd hebben.

V.G. meint, dass A. das Bild der G.R. (Gerechten Richter) nicht in Wetteren verborgen hatte, dazu war er zu schlau, das wäre zu gefährlich gewesen. “Es ist sicher nicht in seinem Wohnhaus, in der Kirche und in der Zeichenschule zu suchen. Es ist in Gent zu suchen.” lch zeigte V.G. auch den bei A. gefundenen und nicht identifizierten Schlüssel. Er kannte ihn nicht und kann sich auch nicht denken, wohin er gehört. Der Schlüssel vom Elternhaus war anders.

V.G. denkt dat A. het paneel van de R.R. (Rechtvaardige Rechters) niet in Wetteren verborgen heeft. Daarvoor was hij te sluw, dat zou gevaarlijk geweest zijn. “Het zit zeker niet in zijn woonhuis, ook niet in de kerk of in de tekenschool. Het moet in Gent gezocht worden.” Ik toonde V.G. ook de sleutel die bij A. gevonden werd maar nog steeds niet was geïdentificeerd. Hij kende hem niet en kan zich ook niet indenken waarbij hij zou kunnen horen. De sleutel van het ouderlijk huis was anders.

Wie A. auf Pastor Meulepas gekomrnen ist zwecks Ubermittlung des Geldes, weiss er nicht. Der älteste Bruder, der Untersuchungsrichter Edmond G., hat wohl in Antwerpen in der Nähe von Meulepas gewohnt, er ist indes schon 1913 gestorben, sodass dieser in keinem Zusammenhang damit steht. Er kennt auch keine Verbindung zwischen A. und Meulepas.

Hoe A. bij pastoor Meulepas gekomen is om te bemiddelen voor het geld, weet hij niet. De oudste broer, onderzoeksrechter Edmond G., heeft wel in Antwerpen dichtbij Meulepas gewoond. Hij is echter in 1913 overleden, zodat er geen verband mogelijk kan zijn. Hij kent ook geen verband tussen A. en Meulepas.

V.G. meint, dass der Dieb für A. die Handlangerdienste getan hat, d.h. dieser habe den St. Jean in Brüssel ergebnislos am Nordbahnhof aufgegeben und die Briefe eingesteckt. Auf meine Frage, ob Achiel de Swaef damit in Zusammenhang stehen könnte, sagte V.G.: “Achiel d. S. war sein Cousin. A. hat mir gesagt bezüglich A.d.S., dass dieser nicht zuverlässig war, also kann dieser auch nicht mit A. zusammengearbeitet haben.”

V.G. denkt dat de dief hand- en spandiensten heeft verleend aan A., dat wil zeggen dat hij de Sint-Jan in Brussel vruchteloos in het Noordstation afgegeven heeft en de brieven gepost heeft. Op de vraag of Achiel de Swaef daarmee enig verband zou kunnen hebben, zegde V.G.: “Achiel d. S. was zijn neef. A. heeft mij over A.d.S. gezegd dat hij niet te vertrouwen was, dus kan deze laatste ook niet met A. samengewerkt hebben.”

V.G. sagte, dass A. mit seinem Herzen nicht in Ordnung war. A. sagte “ich weiss, ich lebe nicht lange. Die Menschen glauben immer das ich so gesund bin, aber das bin ich nicht.” Der Arzt von A. war Dr. De Bruycker.

V.G. zegde dat het hart van A. niet in orde was. Arsène zegde “ik weet dat ik niet lang zal leven. De mensen denken altijd dat ik zo gezond ben, maar dat ben ik niet.” De arts van A. was Dr. De Bruycker.

Nachdem V.G. alle Briefe von A. gelesen hatte, sagte er: “Die Briefe habe ich noch nicht gekannt, meine Schwägerin hat sie damals an Advokat De Vos gegeben (diese hatte sie selbst auch nicht gelesen; ausser De Vos kannte nur das Gericht den Inhalt). Den Inhalt kannte ich wohl in den Hauptsätzen (Zeitungsberichte). Es ist indes über den Versteckort nichts daraus zu entnehmen. Auf meine Frage was der Satz “zonder de publieke aandacht op te trekken” (kann weder ich noch können Sie das Bild fortholen) bedeuten solle, sagte V.G. das soll heissen, dass das Bild in einem öffentlichen Gebäude sich befindet. V.G. ist mit Frau A.G. einmal in Gent zum “Den Pand” gegangen, weil er vermutete, dass das Bild sich dort vielleicht befinden könnte. Obwohl er damals noch in Trauer ging sagte er, sind wir verkleidet gegangen, dass heisst nicht in Trauer, um nicht erkannt zu werden. Von A. is dort nichts zu ermitteln gewesen. Auch der Concierge kannte ihn nicht. Diesem zeigte V.G. ein Foto von A., worauf er indes sagte, dass ihm der Betreffende unbekannt sei.

Nadat V.G. alle brieven van A. gelezen had, zegde hij: “De brieven heb ik nog niet gezien, maar mijn schoonzuster heeft ze destijds aan advocaat De Vos gegeven (zij had ze zelf ook niet gelezen, buiten De Vos kende enkel het gerecht de inhoud). De inhoud kende ik wel in grote lijnen (krantenartikels). Over de bergplaats verneem je daaruit niets. Op mijn vraag wat de zin “zonder de publieke aandacht op te trekken” (noch ik, noch u kan het paneel opdiepen) te betekenen had, zegde V.G. dat het betekent dat het paneel zich in een openbaar gebouw bevindt. V.G. is met mevrouw A.G. eens naar Gent naar “Den Pand” (Het Pand) getrokken omdat hij vermoedde dat het paneel zich daar misschien kon bevinden. Hoewel hij toen nog in de rouw was, zegde hij, hebben we ons omgekleed, dus niet in de rouw, om niet herkend te worden. Van A. kon men niets te weten komen. Ook de concierge kende hem niet. V.G. toonde hem een foto van A., waarop deze antwoordde dat de betrokkene hem volledig onbekend voorkwam.

V.G. ist nur ein einzigesmal von 2 Beamten – Luysterborgh und Arens – aufgesucht worden in seiner Wohnung. Diese haben die Wohnung nach dem evtl. Vorhandensein des Bildes ergebnislos untersucht. L. wird von V.G. als sehr ordentlich und korrekt angesehen, auch Arsène war derselben Ansicht über ihn. Ober Aerens waren beide anderer Meinung, ohne dass V.G. mir indes Gründe angab. A.G. war früher über beide orientiert. (Er meinte, es müsse damals wohl Aerens gewesen sein, derselbe hatte eine defekte Hand, trug einen Handschuh und hatte einen solchen noch liegen lassen.) Beide sagten, dass sie nicht offiziell vom Parket kämen. Vom Parket in Gent ist V.G. nie vernommen worden.

V.G. werd slechts een enkele maal door twee ambtenaren – Luysterborgh en Aerens – opgezocht in zijn woning. Zij hebben de woning op de eventuele aanwezigheid van het paneel doorzocht. L. wordt door V.G. als zeer ordelijk en correct aangezien, ook Arsène was dezelfde mening toegedaan over hem. Over Aerens dachten beiden anders zonder dat V.G. mij daarover enige reden opgaf. A.G. was vroeger over beide ingelicht. (Hij dacht dat het destijds Aerens moest geweest zijn, dezelfde persoon had een gehandicapte hand, droeg een handschoen en had eenzelfde laten liggen.) Beiden zegden dat ze niet officieel van het parket kwamen. Het parket van Gent heeft V.G. nooit verhoord.

V.G. kannte De Heem schon von dessen Tätigkeit in Dendermonde her. Er hält ihn für eitel und nicht intelligent. Er sage, dass De Heem Freimaurer war und daher politisch und nicht katholisch gesinnt war, was Arsène gewesen ist. Aus diesem Grund erklärt er sich, dass De Heem gegen Arsène gearbeitet hat. Er sagt, dass es De Heem gewesen sei, der die Diebstahlssache in die Zeitungen gebracht hätte (ich wies ihn daraufhin, dass die Zeitungen durch eine Indiskretion des Parketts von Brüssel informiert worden seien).

V.G. kende De Heem reeds sinds zijn activiteiten in Dendermonde. Hij beschouwt hem als ijdel en niet intelligent. Hij zegt dat De Heem vrijmetselaar was en daarom politiek niet katholiek gezind was, wat Arsène wel is. Op grond daarvan verklaart hij dat De Heem Arsène tegengewerkt heeft. Hij zegt dat het De Heem was die de zaak van de diefstal in de kranten gebracht heeft (ik wees hem erop dat de kranten wegens een indiscretie van het parket van Brussel geïnformeerd werden).

V.G. sagt, dass er von dem Zusammenhang des Arsène mit dem Diebstahl erst im Februar 1935 gehört hat und zwar durch seine Schwägerin. Man hat ihn mit der Sache verschonen wollen. Herr van Ginderachter, vom Parket von Dendermonde, der nach dem Tod von A.G. in dessen Wohnung war, hat Frau G. veranlasst, dass sie mit Niemandem über den Fall, d.h. die Auffindung der Briefe an den Bischof usw. bei A.G., sprechen dürfe. Als V.G. dann im Februar davon erfuhr, ist er zu van Ginderachter nach Gent gegangen, sagte ihm, dass er durch seine Schwägerin informiert worden sei, bezw. dass sie ihm vertraulich die Mitteilung gemacht habe. V.G bot bei van G. an, dass er mit suchen helfen wollte und zwar damals in der Kirche von Wetteren. Van G. lies das jedoch nicht zu, da er einen von der Familie von G. nicht dazwischen haben wollte.

V.G. zegt dat hij pas gehoord heeft over een verband tussen Arsène en de diefstal in februari 1935 en wel van zijn schoonzuster. Men had hem de zaak willen besparen. De heer van Ginderachter van het parket van Dendermonde, die na de dood van A.G. in diens woning aanwezig was, heeft mevrouw G. ertoe aangezet om met niemand over de zaak, d.w.z. de vondst van de brieven aan de bisschop enz. bij A.G., te spreken. Toen V.G. dan in februari over de zaak hoorde, is hij naar van Ginderachter in Gent gegaan en zegde hem dat zijn schoonzuster hem had ingelicht en hem de informatie vertrouwelijk had bezorgd. V.G. bood van Ginderachter aan dat hij mee wou helpen zoeken en destijds wel in de kerk van Wetteren. Van G. stond dat echter niet toe, omdat hij er niemand van de familie van G. wou bij betrekken.

V.G. sagt, dass er seiner Zeit wusste, dass sein Bruder in Dendermonde in einer Versammlung sprechen würde. V.G. war jedoch nicht dort. Er hatte aber die Absicht sich an dem Tage mit Arsène in Dendermonde zu treffen und dann mit dessen Auto nach Wetteren zu fahren (es war ein Sonntag). V.G. kam indes erst in Dendermonde an, als A. schon tot war. V.G. sagt, dass wenn er anstatt Advokat De Vos gleich bei seinem Bruder gewesen wäre, dass dieser dann ohne Umschweife und weitere Erklärungen zu ihm hätte sprechen können und dass er ohne Zeitverlust dann sehr wahrscheinlich den Verbergungsort noch hätte aussprechen können.

V.G. zegt dat hij destijds wist dat zijn broer in Dendermonde op een bijeenkomst zou spreken. V.G. was echter niet aanwezig. Hij was wel van plan op die dag Arsène in Dendermonde te ontmoeten en met zijn auto naar Wetteren te rijden (het was op een zondag). V.G. kwam destijds pas in Dendermonde aan toen A. reeds overleden was. V.G. zegt dat als hij in plaats van advocaat De Vos direct bij zijn broer was geweest, hij waarschijnlijk zonder omwegen en verdere verklaringen tegen hem had kunnen spreken, hij zeker zonder enige aarzeling zeer waarschijnlijk had kunnen zeggen waar de bergplaats van het paneel was.

V.G. sagt, dass Arsène eine Flugzeugerfindung gemacht hätte, die der des Fieselerstorch gleichkäme. Er war zu diesem Zweck mit Arsène in Paris bei dem bekannten Flugzeugfabrik Breguet. Arsène sprach mit diesem, obwohl es sehr schwer sein soll an ihn heranzukommen, einmal 25 Minuten und ein zweitesmal 1 1/2 Stunde. B. sagte ihm, dass die Sache was wäre, wenn er damit vor 1914 gekommen wäre, jetzt jedoch gehe die Konstruktion auf möglichst schnelle Flugzeuge, die die Länder untereinander schnellstens miteinander verbinden.

V.G. zegt dat Arsène een uitvinding in verband met vliegtuigen gedaan had. Met dat doel was hij in Parijs met Arsène bij de bekende vliegtuigbouwer Breguet. Arsène sprak met hem, hoewel het zeer moeilijk is om met hem een afspraak te maken, een eerste maal 25 minuten en een tweede maal anderhalf uur. B. zegde hem dat zijn uitvinding iets had kunnen opleveren als hij daarmee voor 1914 voor de pinnen was gekomen, want nu gaat het om de constructie van zo snel mogelijke vliegtuigen die de landen onderling op de snelst mogelijke manier met elkaar kunnen verbinden.

V.G. sagt, dass er früher mit Kanonikus Van den Gheyn, Schatzbewahrer von St. Baafs, befreundet war. Anlässlich des Diebstahls hat v.d.G. an V.G. geschrieben, dass deren beiderseitiges Verhältnis dadurch ungetrübt bliebe und dass V.G. in seinen Augen ein “honnête homme” bleibt. Bei Bischof Coppieters von St. Baafs war V.G. auch einmal. Dieser sagte dass V.G. aus der Nachsuche ganz herausbleiben solle. V.G. hat beide nachträglich auf gelegentlich Versammlungen noch gesehen, sie hielten sich indes ganz von ihm zurück. C. hätte es vermieden bei einer Versammlung bei der beide sich schräg gegenüber sassen V.G, anzusehen und v.d.G. sei einst einmal gelegentlich auf einen Meter Abstand an V.G. vorbeigegangen und in einen Wagen gestiegen, hätte ihn aber nicht beachtet. V.G. meint, wenn v.d.G. ihm die Hand gegeben hätte er damit öffentlich vor den Menschen zum Ausdruck gebracht, dass V.G. rein dastehe. So hat er zu beiden die Beziehung verloren. V.G. meint, dass, wenn die Sache damals nicht in die Zeitungen gekommen wäre und er selbst wohlmöglich mitgesucht hatte, dann hätte man das Bild wohl schon gefunden.

V.G. zegt dat hij vroeger bevriend was met kanunnik van den Gheyn, schatbewaarder van Sint-Baafs. Naar aanleiding van de diefstal heeft v.d.G. naar V.G. geschreven dat de relatie tussen hen beiden daardoor zeker niet vertroebeld werd en dat V.G. in zijn ogen een “honnête homme” (eerlijke mens) blijft. Bij bisschop Coppieters van Sint-Baafs is V.G. ook een enkele keer geweest. Deze zegde dat V.G. zich helemaal niet meer moest bezighouden met de verdere zoektocht. V.G. heeft beiden nadien en bij gelegenheid nog gezien op bijeenkomsten, zij hielden echter afstand van hem. C. zou vermeden hebben tijdens een bijeenkomst waarbij beiden schuin tegenover elkaar zaten, V.G. te bekijken. V.d.G. zou eens per toeval op een meter afstand V.G. gepasseerd zijn en in een wagen gestapt zijn, maar had hem echter niet gezien. V.G. denkt dat als toen v.d.G. hem de hand gaf, hij daarmee in het openbaar te kennen gaf dat V.G. recht in zijn schoenen stond. Zo heeft hij met beiden het contact verloren. V.G. denkt dat wanneer de zaak niet in de kranten was terechtgekomen en hij zelf had meegezocht, men het paneel wel reeds had teruggevonden.

V.G. hat den Sohn Adhémar von Arsène gefragt, ob sein Vater ihm nicht irgendetwas anvertraut hätte, so beispielsweise, dass er zu ihm gesagt hätte, behalte dies Wort, was ich Dir jetzt sage, gut. Adhémar sagte jedoch, es wäre ihm nichts dergleichen gesagt worden. V.G. meint wenn Adhémar länger gelebt hätte und gesucht hätte, würde er das Bild wohl gefunden haben. Er soll besonders intelligent gewesen sein. V.G. sagte u.a. noch, dass A. das Geld, das er vom Bischof forderte, nicht für sich behalten hätte, da er Geld nicht benötigte. Er sagt, dass der Verlust der “Plantexel”-Unternehmung mit dem Diebstahl nichts zutun hat. Das Geld, das A. von eigenem Vermögen darin hatte, war belanglos.

V.G. heeft aan de zoon Adhémar van Arsène gevraagd, of zijn vader hem niets iets had toevertrouwd, bijvoorbeeld dat hij hem zou gezegd hebben, bewaar de woorden die ik je zeg goed. Adhémar antwoordde echter dat hem niets dergelijks was toevertrouwd. V.G. meent dat als Adhémar langer geleefd had en gezocht had, hij het paneel wel zou gevonden hebben. Hij moet bijzonder intelligent geweest zijn. V.G. zegde nog onder meer, dat A. het geld dat hij van de bisschop eiste, niet voor zichzelf heeft gehouden, omdat hij het geld niet nodig had. Hij zegt dat het verlies bij de onderneming “Plantexel” niets met de diefstal te maken heeft. Het geld dat A. via zijn eigen vermogen daarin had, was zonder belang.

Dinge, wie den des Diebstahls, hat A. immer verschwiegen, obwohl er sonst sehr gesprächig war. Auf meine Frage, ob der Diebstahl A. nicht sehr aufgeregt habe, und seine Gesundheit beeinträchtigt habe, sagte V.G.: “Nein, das hat ihn nicht aufgeregt, sein Geist beschäftigte sich immer mit dergleichen Dingen.” A.G. hat kein Testament gemacht.

Dingen zoals de diefstal heeft A. altijd verzwegen, hoewel hij anders zeer spraakzaam was. Op mijn vraag of de diefstal A. niet te zeer opgewonden had en zijn gezondheid daardoor had beïnvloed, zegde V.G.: “Neen, dat heeft hem niet opgewonden, zijn geest was altijd met dergelijke zaken bezig.” A.G. heeft geen testament nagelaten.

 

 

Terug naar  …
| A*Z | A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z | !EP! |