MINNE Julienne
(Parijs (Fr), 06 mei 1884 – St. Niklaas, 18 december 1943)

echtgenote van Arséne Goedertier.
moeder van Adhemar Goedertier

 

 

Anderzijds:

Gezin Goedertier – Minne

Verhoren

Proces-verbaal dd 27 december 1934 – Commissaris Luysterborgh …

“Goedertier Arséne, wiens foto ons ter hand gesteld werd, stemde wel enigzins overeen met den persoon wiens signalement opgegeven werd door den bediende van het bagagedepot te Brussel-Noord, Puissant Alexis en die op 28 mei 1934 het paneel van Sint-Johannes den Doper in bewaring afgegeven had (zie PV nr 8431 der Rechterlijk Politie van Brussel van 30.05.1934); nochtans droeg Goedertier geen baardje (barbiche en pointe).

Mevrouw Goedertier kan niet aannemen dat haar man op 28 mei 1934 om 8 uur ’s morgens te Brussel zou geweest zijn.

Goedertier zou in den loop van 1934 nooit buitenhuis vernacht hebben; eens in den loop van verleden zomer zou hij bij uitzondering laat thuis gekomen zijn, rond of na één uur ’s morgens en zonder uitleg te geven over deze late thuiskomst.

In den loop van Juni 1934 zou hij aan zijn echtgenote een banknoot van 1.000 frank afgegeven hebben en daarna nog één in den loop van Augustus 1934 toen zou hij zich uitgedrukt hebben als volgt ; “Plus tard tu sauras et tu seras contente; ne t’inquiète pas; tu verras que tout s’arrangera d’ici peu.” Hij zou ook gezinspeeld hebben op het feit dat hij binnenkort een belangrijke geldsom – misschien wel 500.000 frank zou ontvangen. (Goedertier Arséne verkeerde in een financieel moeilijken toestand).

Goedertier Arséne was destijds administateur van een naamloze vennootschap “Plantexel” Mechelsestraat nr 39 te Brussel (thans in faling)

Goedertier kwam regelmatig naar Gent, meestendeels ’s woensdags en vrijdags. Mevrouw Goedertier wist slechts – volgens zij beweert – dat hij in betrekking was met een zekere Heer Hoens, secretaris van de “Cercle Catholique” te Gent en om zich te verontschuldigen over een afwezigheid zei hij gewoonlijk dat hij besprekingen gehad had met voornoemden heer Hoens.

Goedertier Arséne las bij voorkeur politieromans en speelde wel eens graag de detectief.

Na den diefstal in St Baafs en in verband met de berichten van zekere dagbladen die meenden te weten dat het ontvreemde kunstwerk naar het buitenland was over gebracht had Goedertier eens de volgende opmerking gemaakt: “Si je devais rechercher le tableau, je n’irais pas si loin: je le chercherais autour de la cathédrale.”

De schrijfmachine die op 28 April 1934, te Gent, in ’t bezit gesteld werd van een zogenoemde Van Damme en die zonder twijfel gediend heeft tot het schrijven der brieven “D.U.A.”, bij onze vorige processen-verbaal gevoegd, schijnt nooit bij Goedertier in huis geweest te zijn. Ook papier, van denzelfden aard als dit der kwestige brieven, werd er niet ontdekt, doch op Goedertier werden enige briefomslagen gevonden, overeenstemmende met dezen gebruikt voor het verzenden der bedoelde brieven.

Goedertier was voor een viertal jaar in ’t bezit van een eenzelvigheidskaart, die niet zijn naam droeg, doch wel zijn foto; alhoewel daarover geen zekerheid bestaat, kon het een kaart zijn op naam van “Van Damme”.

Goedertier, gewezen koster, kende veel kerkbedienden; hij had meermalen het “Lam Gods” komen bezichtigen, en scheen ook in kennis te zijn met de bedienden aangesteld tot de bewaking van het veelluik.”

 

 

Proces-verbaal dd 01 juli 1935 – Verhoor

Wij, De Heem Frans, procureur des Konings bijgestaan door Luysterborgh Antoine, officier commissaris bij de rechterlijke opdracht van het arrondissement van Gent, hebben voor ons doen verschijnen en hebben verhoord :

Minne Julienne, Josepha, geboren te Parijs den 6de mei 1884, weduwe Goedertier Arsène, wonende te Wetteren, Wegvoeringstraat nr. 5; die in ’t Frans verklaard heeft :

‘Ik bevestig niet op de hoogte te zijn van wat mijn man kan gedaan hebben in de zaak waarmee u bezig bent; hij heeft er mij nooit over gesproken’. Ik weet absoluut niet waar het ontbrekende paneel zich kan bevinden. Naar mijn mening heeft mijn man die diefstal niet kunnen uitvoeren; maar misschien heeft hij de daders opgespoord en heeft hij hen de panelen doen overhandigen. Ik denk dat als men het tweede paneel kan terugvinden, men tegelijkertijd ook de echte schuldigen kan vinden.

Eén enkele keer is mijn man heel laat thuis gekomen; het was rond 1 uur in de ochtend. Ik heb hem om uitleg gevraagd over zijn late terugkeer, en hij verklaarde dat hij zich had geamuseerd ‘op café’, dat hij had zitten kijken hoe anderen met de kaarten speelden. Mijn man ging soms op café in Wetteren: hij ging dan naar verschillende cafés maar hij was altijd voor 10 uur ’s avonds thuis: en voor ons was dat al laat. Mijn man verlaat zelden zonder mij het huis.

Ik heb mijn boeken (livre de guichet) nagekeken : ik heb vastgesteld dat we de 11de april 1934 Zwitserse franken hebben ontvangen en dat we “Consolides” hebben vereffend voor rekening van een klant die eerder zelden langs kwam, diezelfde 11de april 1934, een woensdag ben ik met mijn man naar Gent geweest in de namiddag voor die verkoop. Ik baseer mij daarop om te verklaren dat mijn man dat mijn man ’s nachts niet afwezig is geweest omstreeks die tijd en dat hij het Lam Gods niet heeft kunnen stelen.

In de loop van de maand juni in 1934, heeft mijn man mij op een dag een briefje van 1000 frank gegeven, maar hij heeft mij daar geen verdere uitleg over gegeven, later tijdens de maand augustus heb ik hem geld gevraagd omdat ons kind ziek was en hij speciale zorgen nodig had; dan heeft mijn man mij nog een briefje van 1000 frank gegeven. Ik herinner me dat op een dag ergens in 1934, toen ik met mijn man de situatie besprak, een situatie die er niet goed uitzag, dat ik geopperd heb om te herbeginnen met de productie van breigoederen, waar ik mij vroeger ook al mee bezig hield. Mijn man heeft mij dat uit het hoofd gepraat door te zeggen dat alles wel weer goed zou komen, dat ik me geen zorgen hoefde te maken, dat ik vertrouwen in hem moest hebben.

Doordat ik aandrong om te weten waaraan hij dacht, heeft hij mij geantwoord : “heb geduld, je zal wel zien”. Ik herinner mij nu niet meer dat mijn man zou hebben gezegd dat hij een grote som zou hebben gehad- misschien wel 500.000 frank… Ik heb soms last van mijn geheugen. Maar als ik dat verklaard heb tijdens een eerdere ondervraging, dan zal het wel zo geweest zijn.

Ik verzeker dat onze financiële situatie niet zo slecht was dan men kon veronderstellen: er waren wel wat achterstallen van meerdere klanten en in het bijzonder van twee ‘grote’ schuldenaars. Ik ging vaak mee met mijn man naar Gent, maar op een gegeven moment is hij alleen beginnen gaan en ook zo in juli 1934, toen ik ziek was.

Gewoonlijk kwam mijn man terug van Gent rond 7uur of half acht.

Mijn man heeft mij maar gesproken over de diefstal van het Lam Gods op het moment dat de diefstal openbaar was gemaakt, ’t Is te zeggen op het moment dat iedereen er over praatte. Ik herinner me dat hij zei dat hij het gestolen paneel zou kunnen terugvinden, en net zoals hij eerder al een paar keer had gedaan, startte hij een onderzoek bij dergelijke diefstallen en zoals ik al vreesde hield hij zich ook deze keer bezig met iets dat hem niet aanging en waardoor hij tijd zou verliezen, en ik heb hem gezegd : “Je gaat je daar niet nog eens mee bezighouden”. Vervolgens heeft mijn man er mij niet meer over gesproken omdat hij wist dat de minste ergernis mij galproblemen zou geven.

Wij hebben aan Minne Julienne de schrijfmachine getoond waarmee de brieven “DUA” – aan het bisdom gericht – geschreven werden.
Zij heeft verklaard :

‘Ik ben absoluut zeker dat de schrijfmachine die u mij toont, zich nooit bij mij thuis heeft bevonden, zoals ik er ook zeker van ben dat mijn man, de brieven ontvangen door de bisschop, nooit bij ons thuis heeft geschreven. Ik zou dat opgemerkt hebben en ik beweer dat mijn man niets zou kunnen doen hebben zonder dat ik het zou gezien hebben. Ik verliet bijna nooit het huis.

Ik heb in 1934 meerdere malen opgemerkt dat mijn man ‘La Dernière Heure’ las en omdat dat niet de krant was waar we op geabonneerd waren – we hadden een abonnement op ‘La Libre Belgique’ – heb ik hem op een dag gevraagd wat hij aan het lezen was in ‘La Dernière Heure’. Hij antwoordde mij dat hij de literaire rubriek las. Hij heeft mij nooit een artikel van ‘La Dernière Heure’ getoond of laten lezen en ik wist niet dat mijn man af en toe ‘La Dernière Heure’ ging lezen bij de garagist De Graeve.

Wat betreft de verklaringen van onze voormalige dienstmeid Christiaens Hélène, heb ik het volgende te zeggen : ik herinner mij een dag, de datum weet ik niet meer, dat mijn man en ik thuis zijn gekomen met de auto rond 9 uur ’s avonds; wij zijn niet terug vertrokken naar Gent, maar wij zijn vertrokken om naar de cinema te gaan in de Nieuwstraat in Wetteren. De eerste keer kwamen we dus terug van Gent.

Ik herinner me niet dat mijn man op een dag het huis heeft verlaten, vroeg in de morgen, na een koffie te hebben gedronken rond 5 uur, ik ontken ook dat mijn man met de auto is vertrokken rond 6 uur, zoals garagist De Graeve u heeft verklaard. Volgens mij is dat maar één keer gebeurd en dat was in 1933, toen we naar Beauraing zijn gegaan.

Het verwondert me sterk dat de dienstmeid Hélène mijn man een pakketje gewikkeld in een zwarte doek heeft zien hanteren en dat ze daarna mijn man heimelijk heeft zien vertrekken met de auto met het pakketje. Het is ten zeerste eigenaardig dat, onder deze omstandigheden, de meid mij daar niet over heeft aangesproken.

Ik beweer dat mijn man niet naar huis had kunnen komen met een voorwerp, zoals bv. een paneel zonder dat ik dat zou opgemerkt hebben; zelfs ’s nachts had dit niet kunnen gebeuren. De deur van mijn slaapkamer was altijd open en ik hoor alles.
Als mijn man is kunnen vertrekken met de auto ’s morgens terwijl ik naar de mis van 7 uur was, is het maar één keer voorgevallen dat hij is weggebleven gedurende een zekere tijdspanne – en zeker gedurende twee uur.

Ik heb nooit een zwarte wasdoek in huis gezien, en om op de aantijgingen van de dienstmeid te antwoorden, moet ik zeggen dat ze serieus kon liegen en dat het meermaals is voorgevallen dat ze dingen vertelde die volledig verzonnen waren.
Langs de andere kant was haar geheugen ook niet zo goed. Bovendien was het een zeer ijverige vrouw en iemand van weinig woorden.

Ik herinner me dat mijn man een dag heeft gehad waar hij met hout heeft gewerkt.  Hout dat afkomstig was van verpakkingskisten bij de garagist De Graeve; hij heeft er konijnenhokken van gemaakt.  Hij heeft ook hout gebruikt dat van een grote tafel afkomstig was die we gebruikt hadden voor een maaltijd ter gelegenheid van de plechtige communie van ons kind, in 1934, voor het maken van een kippenhok.

Mijn man heeft bij ons nooit gewerkt met hout ‘triplex’ en is nooit naar huis gekomen met hout van deze soort.

Als ik, na de dood van mijn man, papieren heb vernietigd (verbrand), dan moeten dat papieren geweest zijn die van geen betekenis waren.

De dag van het overlijden van mijn man, ben ik naar Dendermonde geweest om hem te zien, advocaat Devos van Dendermonde heeft vaag even over het Lam Gods gesproken, en, als ik mij niet vergis, was het de dag na de begrafenis van mijn man dat ik, in aanwezigheid van advocaat De Vos, in het kleine bureau van mijn man de papieren (copies van brieven gericht aan de bisschop) heb gevonden en die heb ik aan de advocaat gegeven.

Als ik dus op de hoogte was geweest van wat dan ook dan had ik deze papieren niet aan de advocaat gegeven en zou het voor mij gemakkelijk geweest zijn ze te vernietigen.

Mijn man las veel politieromans; al vanop jonge leeftijd, las hij de publicaties van “Nick Carter” waarvan hij hele manden had.

 

 

Proces-verbaal dd 02 juli 1935 – Verhoor

Wij hebben ons vervolgens begeven ten huize van Mevrouw Goedertier Arséne, geboren Minne Julienne op ons verzoek heeft deze ons een oud, lichtbruin reisvaliesje getoond dat overeenkomt met het valiesje waarvan mejuffer Breydels Bertha, de beschrijving gegeven heeft. Dit valiesje was ledig, bevond zich in een kamer, tussen andere ongebruikte of weinig gebruikte voorwerpen

MINNE Julienne heeft ons verklaard in ’t Frans:

‘Ik wist helemaal niet dat mijn man ’s avonds naar de Tekenacademie in Wetteren ging en ik weet evenmin wat hij er heeft kunnen doen.

Naar aanleiding van mijn ondervraging van gisteren 1 Juli door Meneer de Procureur des Konings te Gent, heb ik nagedacht over de kwestie van de ochtendlijke uitstappen die mijn man zou hebben gemaakt, in1934, met de auto. Mijn kind Adhémar heeft mij eraan herinnerd dat mijn man verscheidene keren ’s morgens paddestoelen is gaan plukken,vooral in Massemen en elders in de omgeving.

Wat betreft de kwestie van de door mij verbrande papieren, waren het oude paperassen, circulaires, publiciteitspapieren en andere zonder enig belang, en ik herinner mij dienaangaande dat ik mijn meid had opgedragen niets te vernietigen, geen enkel papier weg te gooien, dat ze waar dan ook in het huis zou ontdekken.”

 

 

Verhoor door Henry Koehn in haar woonst, Heistraat 179 te Sint-Niklaas op 9 juli 1941 van 19u30 tot 20u30

Benevens wat zij mij reeds mededeelde, heeft zij op mijn bijkomende vragen volgende antwoorden gegeven.

De morgen na de diefstal, dat was 11 april 1934, nog voor hij zich had aangekleed en op het toilet de krant las met daarin de eerste informatie over de roof, zegde hij tot zijn vrouw in het Frans : ‘Ik ben de man om dat paneel terug te vinden’ (‘moi je serai l’homme à retrouver ce tableau‘).

Omdat in het dagblad het vermoeden werd geuit dat het schilderij naar Duitsland was overgebracht, repliceerde hij: ‘Men zou beter onmiddellijk rond de kerk gaan zoeken: (‘On ferait mieux de chercher immédiatement autour de l’église‘). Op mijn vraag wat het woord ‘rond’ (autour) eigenlijk betekende, meent zij ‘in de stad Gent’. Op mijn verdere vraag of dat woord misschien ook beduidde ‘in de kathedraal’ antwoordt zij:’Dat weet ik niet, het is mogelijk’. Zij hield hem toen voor dat hij zich met die zaak niet moest bezighouden, dat zoiets te veel tijd en geld zou kosten en zij er dan alleen voorstond om het kantoor te beredderen. Hij zou haar daarna nooit meer over die zaak gesproken hebben.

Vraag: Heeft zij, tijdens het verloop van de zaak, in de gezondheidstoestand van haar man enige verandering opgemerkt?
Antwoord: Neen, die bleef altijd dezelfde. Er was niets aan hem te merken.

Vraag: Ook bijvoorbeeld niet ’s nachts, of in zijn droom?
Ontkennend antwoord.

Vraag: Hebben zij altijd een gemeenschappelijke slaapkamer gehad?
Bevestigend antwoord.

Vraag: Had hij een ziekte?
Antwoord: In het begin van ons huwelijk was hij niet zo gezond, maar later is dat verbeterd. In 1923 kreeg hij een cerebrale beroerte (une congestion cérébrale).

Vraag:Waaraan is hij gestorven?
Antwoord: Men heeft mij gezegd een slagaderbreuk (une rupture d’anévrisme).

Vraag: Welke soort baard droeg hij in de periode van de diefstal, in 1934?
Antwoord: Hij had een snor, zoals men kan zien op de foto genomen in januari 1934. Hij heeft nooit een ‘puntbaardje’ (sik) gehad.

Vraag: Welke hoed droeg hij in 1934?
Antwoord: Een vilthoed met geplooide bovenkant.

Vraag: Droeg hij ooit een bolhoed?
Antwoord:Hij had geen bolhoed.

Vraag: Was de met Van den Durpel gehuwde zuster van Arséne in Dendermonde toen hij er overleed?
Antwoord:Neen, zij was al in 1923 overleden. Enkel haar man was daar toen (en ook nog anderen).  Aan zijn schoonbroeder heeft hij geen mededelingen gedaan. Enkel aan zijn vriend en advocaat De Vos. Van den Durpel zou later iets gezegd hebben indien mijn man hem zou gesproken hebben.

Vraag: Wat was het vermogen van Goedertier?
Antwoord: Hij had gelden in depot ten bedrage van 1.200.000 frank. Bovendien bezat hij vorderingen tegenover schuldenaars ten belope van 1.300.000 frank. Toen mijn man stierf, hadden wij samen zowat 3 miljoen frank in bezit. Dat bedrag was niet in baar geld, maar lag vast, meestal in eigendommen (landerijen). Hoewel er meer actief dan passief was werd hij failliet verklaard. Indien ik een advocaat had gehad die wat meer afwist van financiën, was het nooit tot een bankroetverklaring gekomen. Alle uitgekeerde gelden kwamen uitsluitend uit ons bezit, zonder enig tekort. Er werd geen gebruik gemaakt van geld afkomstig van verwanten.

Vraag: Bevond zich thuis een schrijfmachine met klein lettertype waarmee de brieven aan de bisschop werden geschreven?
Ontkennend antwoord.

Vraag: Kon Goedertier typen?
Antwoord: Ja, hij typte alle dagen, speciaal de zaakbriefwisseling. Ik maak de opmerking dat de brieven aan de bisschop duidelijk afkomstig zijn van iemand die niet gewend is met een schrijfmachine te werken, zowel wat indeling als spelling aangaat. Dat verwondert haar. Zij heeft die brieven niet gezien noch gelezen, zegt ze. Ik toon haar enkele zinnen uit een paar gekopieerde exemplaren. Bij het bemerken van de fouten, verhaalt zij: Die brieven zijn niet door mijn man geschreven. Ik zeg dat niet om mijn man te beschermen, maar wel omdat ik overtuigd ben dat hij met zoveel fouten beladen Frans niet kan geschreven hebben. In zijn jeugdjaren zal hij zich wellicht niet goed in het Frans hebben uitgedrukt. Maar sinds ons huwelijk heeft hij steeds met mij (een Franse) in het Frans gesproken. Als bewijs legt zij ons een map met zakelijke correspondentie voor, behandeld door haar man. Ik stel vast dat zij beslist correct zijn, het Frans juist gespeld, goede presentatie behoudens enkele aanzetten die wat dicht bij de rand beginnen zoals in de brieven aan de bisschop. Ik bedenk hierbij dat Goedertier misschien enkel de ontwerpen maakte. De Vos vond in de woning toch een handgeschreven tekst van een zin die in een van de brieven aan de bisschop werd gebruikt. Iemand anders typte dan wellicht de brieven, goed mogelijk te Gent zoals bv. De Swaef, door Luysterborgh als mededader verdacht.

Weduwe Goedertier vroeg mij haar alle brieven eens te laten lezen. Ik ging er echter niet verder op in en begon over iets anders.

Zij zegde mij:’Mijn man heeft die brieven ook niet in de postbussen van Gent, Antwerpen, Brussel, enz. gedeponeerd. Dat kan hij niet gedaan hebben. Hij was dan thuis, het moet iemand anders geweest zijn.

Vraag: Kan ik voor experimenten met radiësthesie, om het even welk handgeschreven document van Goedertier bekomen? (Zij had er toen geen bij de hand maar zou in die zin iets zoeken. Op 10 juli stuurde zij mij een ontvangstbewijs dd. 19.8.1926, geschreven en ondertekend door Arsène Goedertier). Tevens vroeg ik haar, om dezelfde reden, om het even welk kledingsstuk van haar man.
Zij antwoordde: ‘Ik bezit niets meer van zijn kledij. Ik heb dat aan de arme mensen gegeven na zijn overlijden. Aan het Gents gerecht heb ik voor dezelfde soort onderzoeken, reeds een jas en een broek bezorgd.’ (is juist).

Weduwe Goedertier is vast overtuigd dat haar man de diefstal niet heeft gepleegd. Wel dat hij de dief op het spoor is gekomen.

Wanneer de feiten zullen verjaard zijn (drie of zes jaar na afloop), hoopt zij dat de dader of daders het paneel zullen te voorschijn halen. (Zij vergeet dat haar man gezegd heeft dat alleen hij weet waar het zich bevindt). Zij deelde mede:’Dan zou ik aan hem, die het paneel ontdekt, een mooi geschenk geven: Ze voegde er aan toe: ‘Als het paneel ontdekt wordt zal ook blijken wie de dader was en zal worden bewezen dat het niet om mijn man ging.

Omdat in de briefwisseling aan de bisschop sprake is van ‘verreisen’ vroeg ik of Goedertier het inzicht had op reis te gaan, of dat hij samen met haar bv. een vakantiereis plande. Zij ontkende dat. Er was daarvan geen sprake omdat zij door hun werk op kantoor gebonden waren en zij er niet over personeel beschikten.

 

 

Henry Koehn ; Gesprek in haar woning, Heistraat te Sint-Niklaas op 10 mei 1942 van 15:30 uur tot 18:30 uur
(Daags voor de bespreking met Jef Van De Wiele)

Zij deelde mij mede dat zij door bronchitis, mede als gevolg van een nieroperatie ondergaan in 1932, gedwongen was thuis een rustkuur te nemen vanaf 15 of 20 juli tot einde september1934. Zij bleef dan meestal op haar kamer en kwam niet op het kantoor. Haar man werkte er dan alleen. Gedurende die tijd sliepen beiden niet altijd samen op één kamer. (Goedertier kon in die periode ongemerkt op kantoor brieven schrijven.)

Ais er in de D.U.A.-correspondentie sprake is over een eerbare familie meent zij dat het voor hen was dat Goedertier geld wilde bijeen brengen.(ik denk aan Van Cauwelaert) Mevrouw Goedertier zegt dat die naam niet voorkomt in hun zaken noch deze te hebben horen vernoemen.

Haar man was zeer christelijk. Als iets verkeerd gebeurde in de kerk zou hij gezorgd hebben dat hierover niets in de openbaarheid kwam. Zodat de godsdienst er niet zou onder lijden. Hij camoufleerde dan de zaak.

Ik heb haar nu afschrift ter inzage gegeven van de 13 getypte brieven en deze in handschrift, bij hem aangetroffen. Nadat zij alles gelezen had zegde zij: ‘lk zie daar niets van mijn man in’. Ik deed opmerken dat haar man zijn schrijfwijze misschien had vervormd. Daarop antwoordde zij: ‘Dat kan ook zijn’. Daar in een van de brieven sprake is van het volgen van een kuur doet zij opmerken dat haar man, in de loop van 1934 tot aan zijn overlijden niet ziek is geweest. Om die reden heeft hij wellicht geen testament gemaakt. Zij deelde ook mede dat hij nooit op reis is gegaan. Haar man heeft haar,van af de diefstal tot aan zijn dood nooit meer over die zaak gesproken. Zij heeft evenmin ondervonden dat hij nerveus was. Van natuur uit was hij een heel kalme mens. Hij was niet de man om zich te laten opmerken.

Detective romans ‘Le Masque’ werden door haar aan advocaat De Vos of Van Ginderachter gegeven. Bij haar verhuis uit Wetteren bezorgde zij de overige boeken aan de bibliotheek van die gemeente. Of daarbij detectiveboeken waren, weet zij niet.

Vertrouwelijk deelde zij mij mede dat haar man verscheidene diefstallen in de kerk van Wetteren opgelost had. Zo had hij een bevriende priester ontdekt die geld uit de offerblokken had genomen. Deze beweerde toen dat hij enkel wat geld wilde wisselen. Eens had hij ook geld aangetroffen, door een misdienaar verborgen onder een tapijt in de kerk. Alles had hij strikt geheim gehouden.

Zij was bereid geweest een privé-detective in dienst te nemen en er 100.000 frank voor te betalen om
de onschuld van haar man te bewijzen. Door de dood van haar enig kind had zij dat plan opgegeven. Na dit gesprek neig ik naar de opvatting dat Goedertier zelf niet de dief is, maar iemand van de in zijn brief vermelde ‘eerbare familie’ (Van Cauwelaert). Slechts zo zou ik zijn laatste woorden aan De Vos kunnen verklaren dat zijn geweten gerust was. Zij vindt het een grove nalatigheid van haar man dat hij de schuilplaats van het paneel niet aangeduid heeft en zo de naam van de familie zinloos in het gedrang had gebracht. Er had hem immers altijd een auto-ongeluk kunnen overkomen.

Zij toonde mij briefwisseling van haar man over de ‘Plantexel’-onderneming en rekeningen over diverse bedrijven. Zij meent thans te lijden aan bloedarmoede en mogelijk borstkanker, waaraan ze onlangs werd geopereerd

 

Terug naar  …
| A*Z | A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z | !EP! |