De diefstal van de Rechtvaardige Rechters – Back to Reality

In de geschiedschrijving van deze zaak zijn een aantal namen, plaatsen en omstandigheden opgedoken die men als vaststaande elementen is gaan beschouwen. Elementen die hun grond vinden in de interpretatie van de boodschapper, al dan niet uit de context gerukt … Het is belangrijk om enkele van deze elementen kritisch van naderbij te bekijken en te duiden waar de oorsprong ervan ligt …

Getuige van de diefstal
Minstens twee daders voor de diefstal
Medeplichtigen
Openbare plaats
Brief met verduidelijkingen
Gelinkt ?

Eerbare familie
Vriendendienst ?
Wraak

Zinken kist
Geweten gerust
Nachtblindheid

De verantwoordelijkheid van de bisschop

Het Louvre

Hypotheses
Schetsen……
Code en de veertiende brief……
Markgravelei, Antwerpen……
Afgifte Brussel Noord……

 

Wraak
14 april 1934

 

Zinken kist

Verslag Van Ginderachter dd 10 januari 1935 :
“2. Ik heb een nota gevonden over een adres Muinkkaai 43. Woont daar een zinkbewerker? Heeft hij sinds april een kist in zink geleverd die beantwoordt aan de maten ? zo ja, dan zou er moeten gedacht worden aan een bergplaats in de grond, waarover men mij gesproken heeft.”

Uit het werkdossier Luysterborgh, afkomstig van Van Ginderachter:
X is failliet verklaard. Er zijn redenen om te laten geloven dat het voorwerp zou kunnen begraven liggen op een terrein toebehorend aan X, dat hij verworven heeft via advocaat Goedertier en gelegen is in Gentbrugge. Het gaat om een braakliggende grond waar het voorwerp, gesloten in een kist, kan gedolven zijn. Het zou nodig zijn de ernaast wonende landbouwer te ondervragen. Ik ken zijn naam niet, maar X is herhaaldelijk bij hem geweest en hij was gelast het terrein te ontginnen. Ik voeg hieraan toe dat het louter gaat om vermoedens.

(¡!) Hoe realistisch is het te geloven, zonder enige aanwijzing, dat AG het paneel in een zinken kist begraven zou hebben ? 

Eerste brief;

“Wij zijn van oordeel dat het verkieslijker is u niet mede te delen door welke wederwaardigheden wij in het bezit gekomen zijn van deze juwelen. Het is op zo’n verwarde wijze gebeurd, dat de plaats waar het kostbaarste van de twee werken berust, slechts aan één persoon bekend is”

Zevende Brief;

Een overeenkomst verbreken op zo’n ogenblik, terwijl wij er ons toe verbonden hadden, bij betaling van een tenslotte in verhouding klein commissieloon, u het meest kostbare voorwerp op de wereld te overhandigen, waarvan het verlies in de toekomst zou blijven drukken op zij die er de oorzaak van waren. Het is onbegrijpelijk.

Tiende brief;

Maar voor u en de wereld betekent de breuk het verlies – en wij durven dat te onderstrepen – het onherstelbaar verlies van dit onschatbare meesterwerk.

Veertiende -niet verzonden -brief;

“… Wij zijn vertrokken van de grondgedachte dat we mochten geloven en vertrouwen in het bisschoppelijk woord… Het tweede feit dat vals klinkt in Uw briefwisseling is de vaststelling dat U de verantwoordelijkheid op U durft nemen om te schrijven dat Uw tegen­voorstel “te nemen of te laten” is. …Maar wanneer het gaat om een van de kost­baarste voorwerpen die er op de wereld zijn, van een ongeëvenaarde artistieke waarde en waarvan de verdwijning in de geschiedenis zal opgetekend worden als een onherstelbare gebeurtenis, durven schrijven: “het is te nemen of te laten “, zonder rekening te houden met de materiële onmogelijkheid, dat is onbegrijpe­lijk. “

(¡!) Arséne Goedertier was zich meer dan wie ook bewust van de waarde en kwetsbaarheid van de Rechtvaardige Rechters. Het lijkt heel onwaarschijnlijk dat hij onverantwoord zou zijn omgesprongen met het paneel. Uit niets blijkt dat hij gewetenloos zou hebben gehandeld, wel integendeel…

 

Getuige van de diefstal
Gegeven Aercus

In 1943 verklaart Cesar AERCUS (op dat ogenblik opgesloten in de gevangenis, nadien 10 jaar TBR) de dief gezien te hebben met wat een plank scheen, bij het verlaten aan de linkerzijde van de Kathedraal. Ze zouden hem oa hulp gevraagd hebben voor hun auto die niet startte … Wanneer men hem in vrijheid, en een vrouwelijke agente (!) ter beschikking zou stellen zou hij de zaak oplossen …

Geloven we dat zo maar ?

(F) Op 09 april 1943 legt Amédé TULPIN een verklaring af bij de Gerechtelijke Politie in Gent. Beiden zaten voordien samen in de gevangenis. Hij verklaart dat Cesar AERCUS samen met Louis Willems en Arséne Goedertier juwelen zouden hebben gestolen in Gent “den 10en April 1934 (*vatbaar voor interpretatie)”. Deze zouden zijn verborgen onder “een rechtstaande arduinsteen der St Michielsbrug” in Gent. Deze verklaring wordt later bijgestuurd, niet deze personen zouden zich schuldig hebben gemaakt doch wel een “Duitser” waarmee Aercus op cel had gezeten.

“En passant” komt ook het verhaal als dat hij getuige zou zijn geweest van de diefstal. Niets in de ganse verklaring brengt een nieuw element naar boven … alle essentiële elementen verschenen reeds veelvuldig in de kranten (plank, niet starten auto, koster, Wetteren, schoonbroer Dendermonde, …), of toch één nieuw element … daar waar de dader, volgens Aercus, naar buiten is gekomen, een deur uitgevend in de Kapittelstraat. De enige deur die blijkbaar de ochtend van 11 april 1934 open werd gevonden situeert zich echter rechts aan de voorkant van de kathedraal, uitgevend op het St Baafsplein …

Verhoor Amédé TULPIN dd 09 april 1943

Verhoor Amédé TULPIN

 

 

 

 

 

 

Verblijfplaats Cesar AERCUS in 1934.

Cesar AERCUS woonde ten tijde van de feiten in het stadscentrum, in de omgeving van St Baafs. Hij kende de plaatsgesteldheid dus vermoedelijk perfect.

Verhoor Arthur Aercus (broer van en voormalig medeplichtige aan eerdere feiten) dd 18 juni 1943 :

“Nooit heeft mijn broer mij gesproken over een schilderij dat 10 jaar geleden gestolen werd in de hoofdkerk van St Baafs …/… ook niet dat hij dezen diefstal zien plegen heeft.

Ik herinner mij dat Cesar mij eens gesproken heeft over goudwerk dat verstopt was onder de brug aan het postkantoor op de Koornmarkt (St Michielsbrug).

Ik denk dat Cesar iets op touw gezet heeft omtrent dat schilderij “Het Lam Gods”, dat hij iets aan Leon (Amédée Tulpin) wijsgemaakt heeft en dat dit alles op niets gesteund is.”

Door mensen die de verklaringen misschien nog iets beter kunnen inschatten dan wij, bijna een eeuw later …

 

 

 

 

Openbare plaats

De oorsprong in de 2 stellingen;

  • “dat het paneel zich in/op een openbare plaats bevindt”
  • “dat enkel de bisschop aan het paneel kan zonder de publieke aandacht op te wekken”

is te zoeken in de veertiende, de onverstuurde brief …

De __ be­rusten op een plaats waar ik, noch iemand ander
het kan weghalen zonder de publieke aandacht op te wekken.

(¡!)niet diplomatisch en in de context uitgedrukt; “Ik heb het niet meer in mijn bezit m.a.w. noch ik, noch iemand anders (uit mijn entourage?, het – laten uitschijnend – collectief DUA dus) kunnen aan het paneel zonder opgemerkt te worden dus ik kan het niet handje-contantje afleveren, uw voorstel is dus niet uitvoerbaar”.  Het lijkt wat kort door de bocht om daaruit onmiddellijk de twee bovenstaande stellingen te formuleren (hoewel ze juist kunnen zijn). De enige conclusie die hieruit kan getrokken worden is het feit dat Goedertier geen controle/toegang meer had tot de plaats waar het paneel verborgen is/was.

Hoeft men te zoeken bij hem thuis, in de kerk van Wetteren, tekenacademie of op plaatsen waar hij wel
controle/ ongemerkt toegang had of kon gehad hebben …?

(al was het maar om een stukje van de RR te knippen zoals hij misschien “dacht” te doen met de St Jan – zie twaalfde brief)

was er op het ogenblik van verbergen publieke aandacht ? of is die toestand na de diefstal gewijzigd ?

(De passage “publieke aandacht” doet denken aan “de rustkuur” uit dezelfde niet-verzonden brief…
was die “rustkuur” niet in werkelijkheid noodgedwongen wegens de opening van de Academie ?)

Ter informatie ;
onmiddellijk na de diefstal worden in de St Baafskathedraal volgende maatregelen ge­nomen:

  • iedere avond, na het sluiten van de kathedraal, doet een politieagent, met  hond,  samen met een van de kerkbedienden “de ronde van de kerk”.
  • een nachtwaker wordt ingevoerd van 9 uur ’s avonds tot 5 uur ’s morgens.
  • op de luiken van de polyptiek wordt een elektrisch waarschuwingssignaal geïnstalleerd.
  • een metalen luik moet de toegang tot de Vijdkapel beletten.

Gelinkt ?

Wanneer je elk detail bekijkt is er NIETS (voortschijdend … laat staan de bergplaats) rechtstreeks met Arséne Goedertier gelinkt, zelfs de krant “La Dernière Heure” niet …

          • Schrijfmachine ; valse identiteit(skaart Van Damme, Dendermonde ?).
          • Posten brieven ; de anonimiteit van drie grote steden.
          • Afgifte Brussel Noord ; anonimiteit – (puntbaardje ?).
          • Ophalen losgeld ; taxichauffeur.
          • Krant ; garagist De Graeve.

Deze krantenartikels zal ongetwijfeld ook Arséne hebben gelezen …

Alle krantenartikels uit o.a. deze kranten  1934/35 : analyse | persartikelen

 

Medeplichtigen

Achille De Swaef (Lede, 01 november 1862 – Hofstade 29 november 1934)

… werd door Arséne Richet aangewezen als mogelijk handlanger van Arséne Goedertier. Een foto voorlegging aan Alexis Puissant (bediende bagagedepot Brussel-Noord) leverde geen duidelijk resultaat op.

Inlichtingen commissaris Luysterborgh nav verhoor POSSEMIERS Arthur (schoonbroer Achille De Swaef) op 29 mei 1935 betreffende de foto (hiernaast) voorgelegd aan stationsbediende Puissant: “… menen wij te moeten doen opmerken; dat het geen huidige foto geldt vermits zij voorkomt op een eenzelvigheidskaart gemaakt in 1919; dat echter de gelaatstrekken van De Swaef weinig veranderd schijnen te zijn ; dat hij bij zijn afsterven echter geen puntbaardje droeg, puntbaardje dat op de foto ten andere heel weinig zichtbaar is; dat het niet met zekerheid kon uitgemaakt worden of De Swaef in den loop van 1934, niet een klein baardje, onder de onderlip gedragen heeft. Voor hetgeen betreft de gestalte komt het door Puissant vroeger opgegeven signalement niet overeen met dit van De Swaef die eerder groot was ( 1m76 volgens de eenzelvigheidskaart) ook niet voor wat aangaat de ouderdom 50-55 jaar terwijl De Swaef 72 jaar oud was doch er evenwel minder oud uitzag volgens hetgeen wij hebben vernomen in den loop van ons onderzoek.

(¡!) Er is geen enkel element die doet veronderstellen dat DE SWAEF betrokken zou zijn geweest bij het hele opzet. Lees de verklaringen van Vanden Abeele en Richet voor wat betreft DESWAEF … op zijn minst vreemd … het lijkt er op de aandacht te willen afleiden.

 

Oscar Lievens (Lede, 30 juli 1877 – Wetteren, 05 maart 1935)

… ooit getrouwd met een achternicht (zus van Achille De Swaef) …. werd door het “openbaar gerucht” gelinkt aan de zaak, er werden nooit aanwijzingen gevonden, laat staan bewijs, dat Lievens iets met deze zaak te maken heeft.

Eén getuige (F. De Pauw – in onmin met A.G.) verklaart dat hij bij Goedertier thuis werd gezien. DIt wordt tegengesproken door de huishoudster CHRISTIAENS en ook LEBBE, echtgenote Lievens, verklaart dat beide geen contacten hadden met elkaar.

(¡!)  Deze beide personen werden in de zaak betrokken zonder ook maar één objectief verbindend argument.

 

Nachtblindheid

Steeds weer wordt “nachtblindheid” geassocieerd met Arséne Goedertier. De bron hiervan is te zoeken in ;

DOSSIER LAM GODS (Blz 324) – Karel Mortier

“Slechts bij toeval verna­men wij later van een inwoonster uit Wetteren, die zegde hem goed te heb­ben gekend, dat hij leed aan “nachtblindheid”. Zij deelde ons dit spontaan mee, zonder enig verband te maken met die burgerwachtdienst en zonder dat wij ernaar hadden geïnformeerd. Mogelijk was dat de reden waarom hij definitief werd vrijgesteld.”

Uit het originele document van de gemeente Wetteren blijkt dat “een ernstig misvormde linkervoet” aan de basis lag van de afkeuring voor de burgerwacht.

(¡!) Misschien moeten wij de nachtblindheid toch kritisch bekijken temeer dat een verwarring met de oogziekte van zijn zoon Adhemar (Zie rechteroog Adhemar) aan de basis ervan kan liggen. Meer nog … “nachtblindheid” werd door zijn vrouw, Julienne Minne – noch door iemand  anders van de familie – aangehaald als een argument om haar man vrij te pleiten van de diefstal (wat ze nochtans uit alle macht probeerde …)

Eerbare familie

֎ De vierde brief … (Verstuurd op 31.05.1934 tussen 17.00 – 18.00 uur te Antwerpen 6)

“Overeenkomstig ons akkoord en onze voorgaande instructies verzoeken wij u het pakje dat onze vergoeding bevat persoonlijk te willen overhandigen aan de  heer pastoor Meulepas, Sint-Laurentiuskerk, Antwerpen.
U zou hem kunnen laten weten dat het een teruggave van papieren en brieven betreft, waarmee de eer van een der meest achtbare families gemoeid is.

 

֎ De zogenaamde A.M.D.G. brief (aangenomen wordt dat A.M.D.G. staat voor Het Latijnse spreekwoord Ad majorem Dei gloriam (tot meerdere eer van God) Deze spreuk reflecteert eigenlijk dat elke daad die niet tot het kwade leidt, verdienstelijk is voor het geestelijke leven, indien de daad gesteld is om deze reden, zelfs als deze daad normaal onbeduidend is.)

 

 

 

 

“Daar ik sinds lang uw karakter van goed mens ken, veroorloof ik mij u te verzoeken mij te willen helpen bij de overbrenging van een bundeltje familiedocumenten en brieven, waarvan de eer van een familie, waarvan u veel achting hebt, afhangt.

 

Op 10 augustus 1941 ontving Koehn een melding van Sonderführer Wilkening van de Propaganda Abteilung en op 25 augustus 1941 van Sonderführer Prof. Thormählen van dezelfde afdeling. Zij lichtten hem in over een gerucht ; “De dief of dieven betrof(fen) de zoon of zonen van Van Cauwelaert. Goedertier zou zich met die zaak hebben ingelaten.
Naar aanleiding van dit gegeven nam Koehn contact op met Jef Van de Wiele, leider van de Duits Vlaamse Arbeidersgemeenschap (DeVlag). Op 26 november 1941 volgt een bespreking op het kantoor van Koehn in de Wetstraat in Brussel. Een tweede onderhoud vind plaats op 11 mei 1942, daags na het gesprek met Julienne Minne

(¡!) DeVlag-leiders waren Jef van de Wiele en Rolf Wilkening

De Verdwenen Rechters – Karel Mortier – Blz 191

“In de loop van mei (?) 1942 ontmoet Piet De Vos (zoon van Georges – Jooris – DE VOS) op straat in Gent Wim van Cauwelaert (zoon van Frans). Ze zijn allebei nog jonge priesters. Wim van Cauwelaert begeeft zich naar Mgr. Coppieters. Men heeft vernomen dat door Jef Van de Wiele, leider van de Duits Vlaamse Arbeidersgemeenschap ‘formele beschuldigingen’ zijn geuit tegen de van Cauwelaerts over de zaak van het Lam Gods.”

(¡!) “een gerucht” werd nu ‘formele beschuldigingen’ … enig bewijs ? Politieke beweegredenen ?

Gesprek Koehn met Julienne Minne in haar woning, Heistraat te Sint-Niklaas op 10 mei 1942.

“Ais er in de D.U.A.-correspondentie sprake is over een eerbare familie meent zij dat het voor hen was dat Goedertier geld wilde bijeen brengen. (ik denk aan Van Cauwelaert). Mevrouw Goedertier zegt dat die naam niet voorkomt in hun zaken noch deze te hebben horen vernoemen.
…/…
Na dit gesprek neig ik naar de opvatting dat Goedertier zelf niet de dief is, maar iemand van de in zijn brief vermelde ‘eerbare familie’ (Van Cauwelaert). Slechts zo zou ik zijn laatste woorden aan De Vos kunnen verklaren dat zijn geweten gerust was.”

(¡!) Deze opvatting wordt op geen enkel ogenblik onderbouwd door enige aanwijzing, laat staan bewijs.

 

(¡!) de stelling “eerbare familie” duikt 2 keer op, telkens in een andere context …

  • Julienne Minne denkt dat haar man geld wilde bijeenbrengen voor een eerbare familie zoals aangehaald in de AMDG brief (gevonden in de jas van Goedertier).  Nochtans staat er enkel “helpen bij de overbrenging van een bundeltje familiedocumenten en brieven, waarvan de eer van een familie, waarvan u veel achting hebt, afhangt“.  Aan de gedachte van Minne wordt de verkregen informatie (‘een gerucht’) van de Duitse  Propaganda Abteilung en een gesprek met Jef Van de Wiele – die een politiek tegenstander in oorlogstijd is van Van Cauwelaert – door Koehn gelinkt aan elkaar zonder blijkbaar de minste aanwijzing of bewijs.
  • Door amateurspeurders die geloven dat het paneel (nu nog) verborgen zou worden gehouden in een Antwerpse of Gentse familie. Telkens weer  duiken dezelfde namen op … Van Cauwelaert en de Schryver . Tussen beide families bestaat er een link door huwelijk, op 07.10.1947 huwde de op één na oudste dochter van De Schryver, Anna met een zoon van Van Cauwelaert, Leo.
    Hierbij is het niet duidelijk of het paneel in hun bezit zou zijn gekomen vanaf de diefstal (wat onwaarschijnlijk is afgaande op de afpersingsbrieven) of nadat het paneel werd teruggevonden na de dood van Goedertier. Het is niet onwaarschijnlijk dat een “running gag” binnen deze familie ernstig werd genomen door buitenstaanders.

.

Vriendendienst ?

(¡!) Voor wie was het losgeld bestemd ?  Zou hij deze uitspraak aan Julienne doen – een maand nadat de vraag om één miljoen Bfr losgeld terug gebracht werd naar 500.000 bfr – mocht het geld voor iets of iemand anders voorbestemd zijn ?

Afpersingsbrief 8 - Verstuurd op 05 Juli 1934 tussen 20.00 - 21.00 uur te Brussel 1

 Wij zijn bereid u in het bezit te stellen van de R.R. nadat u volgens
 onze eerste aanwijzingen de som van 500.000 frank heeft gestort.
 Zo zullen de huidige moeilijkheden, die u vooropzet, gedeeltelijk omzeild worden.

Proces-verbaal dd 27 december 1934 – Commissaris Luysterborgh – mondeling verhoor Julienne Minne

In den loop van Juni 1934 zou hij aan zijn echtgenote een banknoot van 1.000 frank afgegeven hebben en daarna nog één in den loop van Augustus 1934 (in verhoor 01.07.35 : heb ik hem geld gevraagd omdat ons kind ziek was en hij speciale zorgen nodig had) toen zou hij zich uitgedrukt hebben als volgt ; “Plus tard tu sauras et tu seras contente; ne t’inquiète pas; tu verras que tout s’arrangera d’ici peu.” (“Later zul je het weten en zal je gelukkig zijn; Maak je geen zorgen; je zal zien dat alles snel goed komt.) Hij zou ook gezinspeeld hebben op het feit dat hij binnenkort een belangrijke geldsom – misschien wel 500.000 frank zou ontvangen. (Goedertier Arséne verkeerde in een financieel moeilijken toestand).”

 

Gerust geweten

Onderhoud met advocaat senator De Vos, Jooris in Dendermonde in zijn woning, Kerkstraat 70, Tel. 141 Dendermonde, tussen 10:00 en 13:30 uur op 9 juli 1941, uitgevoerd door Kriegsverwaltungsrat Henry Koehn.

 

Brief 8 …

Wij stellen het op prijs nogmaals te onderstrepen dat de oorzaken van dit conflict niet van onze kant komen en dat, indien deze zaak, met een tot hiertoe ongekende belangrijkheid op dit gebied, nog niet in gunstige zin is opgelost, men misschien nooit tot een gelukkige oplossing zal komen en de fout zal neerkomen op diegenen die hun verplichtingen, in gemeenschappelijk akkoord met de bevoegde overheid aangegaan, niet zijn nagekomen. Indien wij nogmaals aandringen op het aandeel der verantwoordelijkheid, is dit omdat vroeg of laat, wanneer de zaak verkeerd loopt, dit bekend zal worden en zwaar te dragen zal zijn, vooral na behandeling in het Belgische parlement.

Dertiende afpersingsbrief dd 01 oktober 1934

 Ik was mijn handen en ik vertrek, met gerust gemoed, en ik neem mijn vreselijk geheim mee.
Gelieve te aanvaarden, Monseigneur, mijn eerbiedige groeten alsook mijn spijt dat u de mensen, met wie u deze zaak, waarvan het historische belang niemand zal ontgaan,
niet naar waarde
hebt behandeld en hebt weten te schatten.
D.U.A. 

14 de – niet verzonden – brief:

 “Wij zijn vertrokken van de grondgedachte dat we mochten geloven en vertrouwen in het bisschoppelijke woord.”

… en bij uitbreiding … eerste en tweede feit aangehaald in veertiende -niet verzonden-  brief

Schuldinzicht …

“Déplacer n’est pas voler”

DLG blz 478 Kerkchaert- Mortier : “Getuigen (collega-wisselagent – DVR (2005) blz 140) deelden ons mee dat hij (Arséne Goedertier), kort na de bekendmaking van de feiten, zou gezegd hebben: Diefstal ? Er is geen dief­stal. Van wie is Het Lam Gods ? Van de staat. Dat zijn wij allemaal en als men iets verplaatst dan is het niet gestolen.

.


Brief met verduidelijkingen

Dat er een verklarende brief zou zijn achtergelaten wordt gehoopt en naar voor gebracht door Julienne  Minne niettegenstaande ze beweert totaal niets van de feiten af te weten. (Dit laatste is volledig aannemelijk)

In het werkdossier Luysterborgh, afkomstig van Van Ginderachter:
Ik ga verder met mijn opzoekingen naar papieren die enige aanwijzing kunnen geven. Men gelooft terecht of ten onrechte dat X een verklarende brief zou achtergelaten hebben; het is deze die men vooral opzoekt.

Verhoor Julienne Minne – 01 juli 1935
“Naar mijn mening heeft mijn man die diefstal niet kunnen uitvoeren; maar misschien heeft hij de daders opgespoord en heeft hij hen de panelen doen overhandigen. Ik denk dat als men het tweede paneel kan terugvinden, men tegelijkertijd ook de echte schuldigen kan vinden.”

 

Minstens twee daders


Toestand in 1934 ? (datum van deze foto onbekend)

 

 

 

 

 

 

(¡!) Minstens twee daders Is een veronderstelling, er is geen enkel gegeven over de uitvoerder(s) gekend,  men baseert zich op de complexiteit voor het verwijderen van het paneel. Er is echter (bij mijn weten) nooit een echte reconstructie uitgevoerd.

 

Schetsen

Hebben de schetsen, gevonden in de woning verband met de bergplaats van het paneel ?

Notaboekje en grote tekening

(¡!)  Oordeel zelf …

 

“Code” in de veertiende brief

Gezien woorden geschrapt werden en vervolgens gebruikt voor een andere dag lijkt de volgorde van verschijnen  van de gebruikte woorden belangrijk zijn geweest. (bv de woorden “Jean” en “oiseau” werden van dag gewisseld).

(¡!een geheugensteun ?  zie hypothese veertiende brief

 

Het Louvre

De link met het Louvre in Parijs wordt gemaakt door Max Winders. In het verlengde daarvan doet ook zijn vriend, de toenmalige (hoofd) conservator René Huyghe enkele merkwaardige uitspraken. Al deze uitspraken worden later door betrokkenen gelogenstraft of genuanceerd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de Duitser Henry Koehn als adviseur van de afdeling Kunstschutz (bescherming van de kunstvoorwerpen) naar Brussel gestuurd door minister van Volksvoorlichting en Propaganda Joseph Goebbels om het gestolen paneel trachten terug te vinden. Het was Winders die als eminent kunstkenner en lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen Koehn begeleidde in 1941 tijdens diens onderzoek in het bisdom Gent en anderzijds in 1942 tijdens een inspectie van de crypte van de Sint-Baafskathedraal. (Bron: Wikipedia)

In dit artikel lijkt het een vaststaand feit te zijn als dat het paneel de Rechtvaardige Rechters tijdens de oorlog werd gevonden en voor de neus van Koehn werd weggehaald… daar bestaat tot op heden geen enkel bewijs van…

 

Terug naar het artikel en de uitspraken van Winders … Hierover ondervraagd verklaart Winders …


Bekijk artikel

” U geeft me kennis van het artikel, verschenen in het magazine Knack op 28.06.72.
Ik bezit ook dit artikel.

Ik begrijp zeer goed Vlaams en ik kan u verzekeren dat ik nooit gezegd heb het paneel van de Rechtvaardige Rechters in goede staat gezien te hebben zoals die journalist, redacteur van het artikel in kwestie, laat geloven.

Ik heb aan deze journalist met name deze feiten verteld, hem zeker toevertrouwend dat er een inventaris was gemaakt in Pau, bij de bewaargeving van de werken van het museum van deze stad en dat ik bij deze gelegenheid het “Lam Gods” in goede staat had gezien. Het is evident dat het om het de panelen gaat die het veelluik vormen, met uitzondering van dat van de “Rechtvaardige Rechters” aangezien dat nooit was teruggevonden.

Deze journalist heeft mijn woorden dus verward of slecht geïnterpreteerd. Ik heb hem nooit kunnen toevertrouwen dat ik de “Rechtvaardige Rechters” in goede staat had gezien in Frankrijk of elders aangezien ik het paneel in kwestie nooit heb teruggezien sinds zijn verdwijning in de Sint-Baafskathedraal op 11.4.1934.

Bovendien ben ik nooit naar de Koning gegaan voor iets anders dan om Zijne Majesteit te bedanken voor de eretitels die mij waren toegekend bij mijn pensionering. Nooit ben ik door de Koning belast met het opzoeken van het paneel van de”Rechtvaardige Rechters”, zoals deze journalist in zijn artikel te verstaan geeft.”

De eerste foto van De Rechtvaardige Rechters (Lam Gods) in kleur in het Louvre

Onderzoek door de federale politie wijst uit dat er zich een kleurenafbeelding van de originele Rechtvaardige Rechters bevindt in het Louvre. Deze afbeelding werd gepubliceerd in 1921 in de Seemanns Künstlermappen (Uitgeverij E.A. Seemann – Leipzig). Deze mappen waren wijdverspreid, ook in onze contreien was deze bij uitgave verkrijgbaar. (en nog steeds … op E-bay …).  Een kleurenfoto van beide foto’s naast elkaar zoals hiervoor (Rechtvaardige Rechters & de Ridders van Christus) steekt ook in het archief van Max Winders.

De kleurenfoto’s voor deze publicatie werden vermoedelijk aangeleverd door de firma “Albert Frisch” uit Berlijn (D) in 1920.

 

De verantwoordelijkheid van de bisschop

Bisschop Coppieters heeft niet echt zeggenschap gehad tijdens de afpersingszaak, hij onderging wat het parket, en meer bepaald Procureur des Konings van Gent , Franz DEHEEM besliste. Niet alleen PdK DEHEEM, ook Minister Paul-Emile JANSON droeg er toe bij met de gevleugelde woorden “On ne traite pas avec les gangsters, nous ne sommes pas en Amérique.” (verhoor Coppieters)

(¡!) Vreemd lijkt dat Arséne Goedertier in deze zeer naïef is geweest. Uit de brieven blijkt dat hij er van uit ging rechtstreeks met de Bisschop te onderhandelen (14 de – niet verzonden – brief: “Wij zijn vertrokken van de grondgedachte dat we mochten geloven en vertrouwen in het bisschoppelijke woord.”) wat doet vermoeden dat hij geen informatiepositie had binnen het bisdom.

Verhoor Frans DEHEEM door Koehn in het justitiegebouw te Gent op 24 juni 1941

Alle antwoorden op de brieven van Goedertier die zogenaamd door de bisschop Coppieters waren gegeven, werden in werkelijkheid door mij opgesteld. Ik was toen een tijdlang de eigenlijke bisschop. Dit gebeurde evenwel met akkoord van de bisschop.

– Dit item wordt later bijgewerkt –

zandbak

 

(¡!) Merken bij dit artikel op dat het ontvangstbewijs van het depot (station Brussel-Noord – Maandag 28 mei 1934) bij de derde brief werd gevoegd en vanuit deze locatie op dezelfde dag werd verzonden. De inhoud van deze brief kon dus door de boodschapper ongehinderd worden gelezen. Vraag is of Goedertier dit risico zou hebben genomen …
(Aangenomen dat de afgifte van het paneel en het verzenden van de brief door één en dezelfde persoon is gebeurd – Zowel het paneel als de brief werd omstreeks 08:00 uur afgegeven/gepost op dezelfde locatie)

 

 

“l’objet volé devait être caché dans un endroit trés simple, pas précisément une cachette, mais un lieu dans lequel on ne songerait à le chercher” (Le Soir – 24.05.1935)